Posts tonen met het label Antwerpen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Antwerpen. Alle posts tonen

vrijdag 12 mei 2017

Benen en Ijzeren Schaatsen

detail uit Pieter I Bruegel, De slibberachtigheyt van 's menschen leven: Ijsvermaak op de vestingsgracht nabij de Sint-Jorispoort, gravure door Joannes Galle, 1553 [BALaT KIK-IRPA], 20,7 x 23,2 cm, coll. Museum Plantin-Moretus

[wat volgt komt uit de tentoonstellingscatalogus Van nederzetting tot metropool - archeologisch - historisch onderzoek in de Antwerpse binnenstad, Antwerpen (Volkskundemuseum), 1983, pp. 129-131 - de tentoonstelling liep van 3 december 1982 tot 17 april 1983]

"Schaatsen is van oudsher een van de belangrijkste wintersporten geweest. In tegenstelling tot onze huidige schaatsen, die vanaf de 15de eeuw gebruikt werden, waren de [...] schaatsen gemaakt uit dierenbotten. Deze botten, vooral middelhands- (metacarpus) en middelvoetsbeen (metatarsus) van paard en rund, werden nadat ze ontdaan waren van vlees en huid, aan de voorzijde (dorsaal) met een mes bijgewerkt en geslepen.
Dat het gebruik van [de vroegste] benen schaatsen niet kan vergeleken worden met deze van de huidige stalen schaatsen zal voor iedereen wel duidelijk zijn. Aangezien de typische schaatsbeweging, zoals wij die met stalen schaatsen kennen, met de platte beenderen niet mogelijk was, bewoog men zich als glijdend voort met behulp van prikstokken.
Daarom spreken we hier beter over glissen of glijders.

Glijden op benen schaatsen


Uit ooggetuigenverslagen leren we wat meer over hun gebruik. Een aardige beschrijving van dit rijden op glijbeenderen treft men aan bij Fitzstephen. Deze secretaris van de aartsbisschop Thomas Becket verhaalt in 1180 in zijn beschrijving van de stad Londen [dat]:
'de jonge burgers in zijne dagen in grote gezelschappen op het ijs gaan vermaken. Sommigen bevestigen aan hunne schoenen beenderen van de poten van sommige dieren en houden stokken in de hand, beslagen met een ijzeren punt, waarmede zij nu en dan tegen het ijs stoten ; deze lieden gaan even snel als een vogel in de lucht of als een pijl uit een kruisboog.'
(J. Wichers (1888), p. 71 ).

Ook hebben we Alaus Magnus die in 1555 schrijft:
'Er zijn echter anderen die een effen en glad gemaakt ijzer, of ook wel effen beenderen van herten of runderen, welke beenderen om het vet dat zij bevatten een natuurlijke gladheid hebben ter lengte van de voet onder de zolen vastmaken, en daarmede, alleen op glad ijs, zeer snel vooruitgaan en in onafgebroken rit lange banen afleggen.'
We lezen verder dat er ook om prijzen werd gereden:
'Gewoonlijk winnen diegenen de prijs die onder de voeten hertenschinkels hebben vastgemaakt, breed en gelijk geschaafd en gesmeerd met varkensreuzel, want de benen die op deze wijze gesmeerd zijn, kunnen tijdens het rijden niet belemmerd worden door de bevrozen druppels, die door de gaten en spleten, vanwege de grote koude en vorst oprijzen en doordringen boven op het ijs, terwijl dit wel bij ijzer kan gebeuren, hoe goed dit ook geslepen of gesmeerd is.'

[...]
Dezelfde beenderen konden ook gebruikt worden als glijders onder kleine sleetjes.

Te Antwerpen werden 42 glissen gevonden: 21 beenderen van paard (10 metacarpi, 9 metatarsi en 2 radii), 20 waren van rund (10 metacarpi, 6 metatarci en 4 radii) en één metacarpus afkomstig van een hert. Van twee glissen was slechts een fragment bewaard, beide waren afkomstig van rund.
[...] Radii (spaakbeenderen) zijn in mindere mate aanwezig daar deze gebogen beenderen dikwijls meer voorbewerking behoeven.

Bij het merendeel van de beenderen is het distale beenuiteinde (epifyse) bijgewerkt zodat een schuin oplopende kant ontstaat die het glijden moet vergemakkelijken. Ook de hogere delen van het proximale uiteinde werden gewoonlijk afgevlakt.
Al deze voorbewerkingen gebeuren aan de dorsale kant (voorkant) die op het ijs rust. De achterkant van het been waarop de voet rust, vergt voorbereiding bij de radii en soms bij de metapodalia van paard. Het gaat hierbij om het losmaken van de ellepijp van de radius en om het verwijderen van de griffelbeentjes aan de achterkant van de kanonbeenderen bij het paard.

Betreffende de aanhechtingswijze aan de voet konden we 6 typen onderscheiden.
Type 1: 33 exemplaren.
Dit type heeft geen doorboringen. Deze glissen werden niet vastgebonden en werden gebruikt door er los op te staan.
Type 2: 3 exemplaren.
Hierbij hebben we vooraan een transversale doorboring; ook in het proximale gewrichtsvlak, dus in de achterzijde van de schaats bevindt zich een doorboring. Dit gat werd gebruikt om een stokje in te steken. Waarschijnlijk werd de glis met een touw vanaf dit stokje aan de enkel bevestigd. Samen met de voorste doorboring kon de glis stevig aan de voet bevestigd worden.
Type 3: 1 exemplaar.
Hier is er slechts één doorboring, namelijk in de sigittaalkam (distaal beenuiteinde; voorkant van de glis).
Type 4: 3 exemplaren.
Dit type heeft achteraan een 'oog' en vooraan twee schuine doorboringen. Dit maakt uiteraard een stevige bevestiging mogelijk.
Type 5: 1 exemplaar.
Ook hier een doorboring, namelijk achteraan in het gewrichtsvlak.
Type 6: 1 exemplaar.
Achteraan een transversale doorboring en vooraan twee schuine doorboringen.

Vasthechten van een benen schaats


lnteressant is dat de gevonden glijbeenderen tot de verschillende stadia van bewerking behoren. Zoals reeds hierboven vermeld werd het been eerst ontdaan van vlees en huid om het daarna ruw bij te werken met een mes. Aldus werden de hogere gedeelten afgevlakt. Zo werd de glis klaar gemaakt voor gebruik op het ijs; soms ging men er los op staan, andere werden met behulp van een koordje of leren riempje aan de voet vastgemaakt. Dat sommige glijbeenderen erg lang gebruikt werden kan afgeleid worden uit het feit dat er een aantal tot op de mergholte zijn afgesleten."



Pieter I Bruegel, De slibberachtigheyt van 's menschen leven: Ijsvermaak op de vestingsgracht nabij de Sint-Jorispoort, gravure door Joannes Galle, 1553 [BALaT KIK-IRPA], 20,7 x 23,2 cm, coll. Museum Plantin-Moretus


Dichtgevroren Schelde en vestinggrachten in de 16de eeuw

[Delen van onderstaand data overzicht vond ik op de blog van Noël De Mey]

1514-1515: men reed met karren op de Schelde

1517-1518: men reed met karren op de Schelde; gedurende zes weken lang reed men met paard en kar van Rupelmonde naar St.-Bernards

1543-1544: men reed met karren op de Schelde



Pieter I Bruegel, De slibberachtigheyt van 's menschen leven: Ijsvermaak op de vestingsgracht nabij de Sint-Jorispoort, gravure door Joannes Galle, 1553 [BALaT KIK-IRPA], 20,7 x 23,2 cm, coll. Museum Plantin-Moretus

1553-1554: vestinggracht bevroren

Abel Grimmers versie van de prent:

Abel Grimmer, Schaatsrijden op de vestinggrachten van de Sint-Jorispoort te Antwerpen, 1602 [BALaT KIK-IRPA], olieverf op eiken paneel, diameter 18 cm, Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België



Joris Hoefnagel, Ijsvermaak op de toegevroren Schelde te Antwerpen in 1563,
ets, 33,5 x 48,5 cm, Antwerpen, Stedelijk Prentenkabinet

1563: toegevroren Schelde



Bernard vande Putte [cartograaf en kaartsnijder (1528 - 1580)], Gezicht op de bevroren Scheide in 1564, houtsnede, opgenomen in Die Nieuwe Chronijcke van Brabandt oft tvervolch vande oude Mitsgaders Vlaenderen Hollant en
Zeelandt ..., 1565, Antwerpen (uitgegeven door Jan Mollijns)

1564-1565: men reed met karren op de Schelde; er vond een ijskermis plaats

[Volgende teksten over die winter vond ik op meteo.be]

"Den winter van 1564-1565 was soo fel en koudt als oyt mensch hadde gevoelt, het vroos tien weken langh soo dat men ‘tAntwerpen van den tweeden kersdag to op Dry Koninghen dach van ’t jaer 1565 over de Schelde te voet en te peerd rysde, ende uyt nieuwicheyt stelde men daer tenten ende kramen op, alwaer spyse, dranck ende alderhande koopmanschap verkochte.

Uit de 'Incarnatie van die felle vorst de anno xve Lxiiii':

Men sach cleenen Gille gaen over het bierhooft,
C louckelyk om ghelt winnen den tweeden Crisdach
C orts den derden ghingender op cleen en groot
C ooplieden droncken opt schelde groot ghelach
C reemers men daer huerlieder goet oock vercoopen zach,
C oucxkens worstkins bastart ende romenien
L iefvelicken men daer at en dranck zonder ghelach
V an smorghens vrouch tot savons sach men daer lyen
V enus Camenierkens die den sin verblyen
J onckers ende Jonckvrauwen sach men up schelde gaen
I nt aensien dochtet my al vol melodyen
J a wel dacht Ic zal deze merct blyven staen
J anuario den achtsten was tgaen gehedaen.

In dit jaarschrift of chronogram staat de beginletter van iedere versregel voor een Romeins cijfer en als men de optelling van de getalwaarden maakt, vindt men het jaartal van de gebeurtenis (M+5xC+L+2xV+J+I+2xJ = 1000+5x100+50+2x5+1+1+2x1 = 1564)."



Lucas van Valckenborch, Zicht op Antwerpen vanaf de linkeroever tijdens een sneeuwvlaag,
paneel, 42,5 x 63,5, s.d., Frankfurt, Städelsche Museum

[1575]: toegevroren Schelde



Ijsvermaak aan de Rode Poort, gravure (Adriaan Collaert), diameter 14,2 cm, Antwerpen, Stedelijk Prentenkabinet

[1580]: vestinggracht bevroren




Lucas van Valckenborch (1535 of later–1597), Zicht op Antwerpen met de bevroren Schelde / Ijsvermaak op de Schelde voor Antwerpen, 1593, Frankfurt am Main, Städelsches Institut

1590/1593: op basis van bovenstaand schilderij, gedateerd 1590 of 1593naargelang de bron, zou men kunnen afleiden dat ook dan de Schelde bevroren was, maar niets zegt dat Van Valckenborgh de actuele situatie schilderde



1595-1596: zowel de Schelde, de Rijn als de Adriatische zee bij Venetië waren dichtgevroren


woensdag 4 januari 2017

Badhuizen



Het badhuis, kopergravure, Aldegrever (1502-ca1558), naar tekening Virgilius Solis (1514-1562)

"Nochtans kwamen ze voor in alle stedelijke centra van de Zuidelijke Nederlanden. Deze badhuizen stelden het hele jaar door hun baden te beschikking aan zowel mannen als vrouwen die meenden dat hun lichaam aan een zuiveringsbeurt toe was. […] Ook Alonso Vảsquez keek zijn ogen uit bij het betreden van een dergelijke badinrichting:
'Op alle uren van de dag gaan daar vrouwen en mannen heen om hete baden te gebruiken. Het is merkwaardig dat de badvrouwen alleen maar een klein rokje dragen; Zo helpen ze de mannen bij het baden en wassen, zonder dat daar kwaad bij gedacht of schroom bij gevoeld wordt.'
[…] Uit onderzoek blijkt inderdaad dat de gemengde badhuizen door prostituees werden opgezocht om hun klantenbestand uit te breiden. Op die manier zeulden ze een hardnekkige reputatie als verkapte bordelen met zich mee."
(Joey De Keyser, Vreemde Ogen: een kijk op de Zuidelijke Nederlanden, 1400-1600, Antwerpen (Meulenhoff/Manteau), 2010, p. 82)



Bathers from Das Ständebuch (The Book of Trades), 1568

Depiction of a Nuremberg bathmaid, 1585

Hans Bock the Elder, The baths at Louèche, 1597

Johann Jacob Huggelin, Von heilsamen Baederndes Teuschenlands…, Mullhausen, 1559

Nachtspiegels

"Van schade by uytworpinghe",Joos de Damhoudere, Practycke ende handtbouck in criminele zaeken, Leuven, 1555,p.267
(Danny Lamarcq, Het latrinaire gebeuren-De geschiedenis van het W.C., Gent (Stichting Mens en Kultuur), 1993, p. 242)

"In het 16de-eeuwse [...] Antwerpen vaardigt het bestuur in 1561 het eerste stedelijk gebod uit op het ruimen van beerputten en een analoog gebod vinden we te Leuven in 1570. Het datzelfde jaar opgetekende Antwerpse gewoonterecht bepaalde dat wie in de stad een raam bijstak dat uitkwam op de buren, er tralies moest voor plaatsen zodanig "datmen thooft van eene volwasschen persoone, pispodt, noch dyergelijcke dingen daer nyet door en soude cunnen gesteken". Een decennium eerder stipuleert Joos de Damhoudere in zijn Practycke ende handbouck in criminele zaeken dat "wie vut zijn veinstere of duere worpt eenighe vulicheit, pisse of dier ghelycke op de ghemeene straete daermede hy de voorbyghanghers bonnette oft tabbaert oft ander cleeren vuyl maeckt oft bederft," boete dient te betalen." (Danny Lamarcq, Het latrinaire gebeuren - De geschiedenis van het W.C., Gent (Stichting Mens en Kultuur), 1993, p. 69)





Aardewerken kamerpotten gevonden in Mechelen: 203. Bolvormig type met hoge hals, lage schouder en nauwe opening, eind 15de-begin 16de eeuw, 204. Bolvormig type met trechtervormige hals, 16dde-begin 17de eeuw, 205. Kamerpot met bedpanallure, 16de eeuw (verzameling en foto's Mechelse Vereniging voor archeologie) (Danny Lamarcq, Het latrinaire gebeuren - De geschiedenis van het W.C., Gent (Stichting Mens en Kultuur), 1993, p. 242)

"In de zestiende eeuw werden de Zuidelijke Nederlanden geprezen om hun netheid. Vooral de Spanjaarden waren onder de indruk. De meerderheid van de straten van Antwerpen waren geplaveid met stenen. [...] Wat het gevoeg betrof, werd een zo zindelijk mogelijke oplossing gezocht. Zelfs de herbergen vielen hierbij niet uit de toon. De Beatis merkte op dat de kamers voorzien waren van koperen po’s die brandschoon zijn, in tegenstelling tot Frankrijk waar men ’s nachts en overdag in het vuur moet plassen.’" (Joey De Keyser, Vreemde Ogen: een kijk op de Zuidelijke Nederlanden, 1400-1600, Antwerpen (Meulenhoff/Manteau), 2010, p. 47-48)

donderdag 29 december 2016

Hoekstenen van een goed geordende samenleving

Gentleman giving alms to a beggar:
Illustration for "Of Pride" in John Day's A christall glasse of christian reformation, London, 1569

"Vanaf de jaren twintig [van de zestiende eeuw] klaagden de aalmoezeniers, die met de armenzorg waren belast, onophoudelijk over het onevenwicht tussen de financiële middelen van de liefdadige instellingen en het groeiend aantal behoeftige gezinnen. Het sociale probleem werd evenwel in morele termen gedefinieerd. De kooplieden-ondernemers en de welgestelde ambachtsmeesters waren steeds meer geneigd om de arbeid als het fundament van de moraal voor te stellen, de hoeksteen van een goed geordende samenleving en de essentiële voorwaarde voor persoonlijke lotsverbetering. Die ideologie kwam niet alleen in gedrukte traktaten tot uitdrukking, maar werd ook door allerlei op een breder publiek gerichte media gepropageerd. Zij legitimeerde een criminalisering van de bedelarij en vooral een rationalisering van de armenzorg die tot doel had de sociale stabiliteit veilig te stellen en de werkbekwame behoeftigen te dwingen zich voor het allerlaagste loon in dienst van de werkgevers te stellen. Daarom werd openbare onderstand voorbehouden aan individuen en gezinnen die als volwaardige leden van de plaatselijke gemeenschap werden beschouwd, die zich aan de normen en waarden van hun sociale meerderen conformeerden en die door toevallige of 'natuurlijke' oorzaken, zoals weduwschap, ziekte, lichaamsgebrek, hoge leeftijd of een groot kindertal, niet in staat waren om in hun levensonderhoud te voorzien. [...]
Ten slotte dient te worden opgemerkt dat de sociale polarisatie gepaard is gegaan met een tendens tot ruimtelijke segregatie enerzijds en een vergroting van de culturele afstand tussen de meer substantiële burgers en de volksmassa anderzijds. De aanhoudende stijging van de huishuurprijzen liet vele loonarbeiders geen andere keuze dan te verhuizen naar eenkamerwoningen die in de armoedigste buurten waren gelegen. Tegelijkertijd vestigden de kooplieden zich bij voorkeur in die delen van de stad waar nieuwe commerciële voorzieningen werden gecreëerd en statige herenhuizen gebouwd. [...] De opkomende burgerij distantieerde zich ook cultureel van de lagere klassen. Hoewel nog altijd werd betoogd dat de stedelijke festiviteiten en vieringen tot doel hadden de collectieve identiteit te bevestigen, dienden zulke activiteiten in toenemende mate de belangen van de sociale bovenlagen. De versieringen van de feestwagens, de tableaux vivants en de thema's behandeld door de rederijkers, werden steeds vaker aan een esthetica en een mythologie ontleend waarvan de betekenis de meerderheid van de bevolking ontging. Anderzijds trachtte het stadsbestuur allerlei populaire rituelen en vermaken die aanleiding konden geven tot 'wanorde', te beteugelen: het verzette zich tegen het dragen van maskers tijdens het carnaval, trad streng op tegen straatzangers en verbood charivari's en openbare dansfeesten. [...]


Printed invitation to other chambers of rhetoric by the Antwerp Violieren, for a landjuweel event, lasting 19 days, in 1561

Het luisterrijke Landjuweel dat in 1561 plaatsvond en waaraan rederijkerskamers uit elf steden deelnamen, werd door de kooplieden eveneens aangegrepen om duidelijk te maken dat zij een aparte én superieure sociale groep vormden. Op verzoek van het Antwerpse toneelgezelschap 'De Violieren', dat Melchior Schetz [Duitse koopman, opperschatmeester van de Stad Antwerpen en agent van de Staten Generaal te Antwerpen] de hoogste eretitel had verleend, behandelden alle kamers in een proloog de vraag 'hoe nuttig kooplieden zijn die rechtvaardig handelen'. De standpunten varieerden alleen wat de gradaties in de lofbetuigingen betreft."
(Hugo Soly, 'Sociale relaties in Antwerpen tijdens de zestiende en de zeventiende eeuw', Antwerpen, verhaal van een metropool, Jan Van der Stock (red.), Antwerpen (Snoeck & Ducaju,) 1993, pp. 41-42)




donderdag 1 december 2016

'T Wonder-boeck

David Joris, 'T Wonder-boeck : waer in dat van der werldt aen versloten gheopenbaert is;
wie een der Ick (segt die Heere) senden sal, ontfangt in mynen naem, die ontfanght my;
wie my ontfanght, ontfanght den die my ghesonden heeft ...: oochghelouet moet hy sijn,
die als een ambassatoer gheconden komt...', Theodorus II de Borne, Deventer, 1542, coll.
Universiteitsbibliotheek Gent/Google Books Project

'T Wonder-boeck wordt als het hoofdwerk van Joris beschouwd. Hij geeft er onbeschroomd zijn ideeën in weer. Hij zegt uit Gods mond te spreken; ongeloof aan hem was die zonde tegen den Heilige Geest welke noch in deze eeuw noch in de toekomende vergeven zal worden. Hij alleen wist wat ter zaligheid nodig is; wie zich hoeden wilde voor het oordeel des Heeren, moest naar hem luisteren, zijn raad opvolgen.
Deze zelfverheffing maakt het begrijpelijk dat Joris zich de meest gewijde namen toe-eigende. Enkele voorbeelden van deze namen uit 't Wonderboeck zijn: 
evenbeeld Gods, gezalfde des Heeren, koning der gerechtigheid, geest des levens, hemelse Adam en verstand Gods."



De laatste Adam, David Jorisz., 1542,
gravure van de hand van de auteur zelf, gebruikt in 'T Wonder-boeck
"Volgens de Schrift is Jezus is de Tweede Mens, de Laatste Adam, het hoofd van een nieuw mensengeslacht."

"Its chief claim to recognition is its use, in the latter part, of the phrase Restitutio Christi, which apparently suggested to Servetus his title Christianismi Restitutio (1553). This concept of the 'Restitution' by the return of ALL the souls into the unity with Christ is probably the oldest presentation of the concept of the 'Reintegration' as described by de Pasqually in the 18th century. It is also the expression of the primitive Rosicrucian teachings, who were first manifested into the Protestant movement and part of the inner teachings of the Anabaptists. In the first edition is a figure of the 'new man', signed with the author's monogram, and probably drawn as a likeness of himself; it fairly corresponds with the alleged portrait, engraved in 1607, reproduced in the appendix to A. Ross's Pansebeia (1655)." (Kingsgarden)

A. Ross, Pansebeia, 1655


houtsnede van de hand van David Joris, 'T Wonder-boeck, Theodorus II de Borne,
Deventer, 1542, coll. Universiteitsbibliotheek Gent/Google Books Project

't Wonder-boeck werd voor het eerst uitgegeven in 1542-1544 in Deventer door Theodorus II de Borne. "This first edition can be theologically located to his ideas during this important transitionary Antwerp period." (A certain measure of perfection, dd. 28/12/2016)
Het is geïllustreerd met 2 houtsneden die door de auteur (en eveneens beeldend kunstenaar), David Joris, gemaakt waren. Er wordt gespeeld zowel met de tekst zelf als met de ingevoerde gravures in die tekst.

tekstvaas, David Joris, 'T Wonder-boeck, Theodorus II de Borne,
Deventer, 1542, coll. Universiteitsbibliotheek Gent/Google Books Project

David Joris, 'T Wonder-boeck, Theodorus II de Borne,
Deventer, 1542, coll. Universiteitsbibliotheek Gent/Google Books Project

De Universiteitsbibliotheek Gent bezit een exemplaar van deze eerste editie (nr Theol 11)(barcode onleesbaar) en die werd in het kader van het Goole Books Project gedigitaliseerd.

De tweede editie dateert uit 1551, door "den auteur selve ghecorrigeert ende vermeerdert", en werd gedrukt door David Ketel (ook Deventer) die in 1554 daarvoor gestraft is met de dood. Alle uitgaven verschijnen anoniem om censuur en veroordeling tot de dood te ontlopen. De twee delen van de oorspronkelijke uitgave worden opgedeeld in totaal vier delen.


David Joris, 'T Wonder-boeck : waer in dat van der werldt aen versloten gheopenbaert is;
wie een der Ick (segt die Heere) senden sal, ontfangt in mynen naem, die ontfanght my;
wie my ontfanght, ontfanght den die my ghesonden heeft ...: oochghelouet moet hy sijn,
die als een ambassatoer gheconden komt...', Dierck Mullem, Vianen, 1584 of 1595, coll.
Universiteitsbibliotheek Gent/Google Books Project

De derde en vierde edities dateren uit 1583-1584 en 1595 (bij beide edities is als jaar van uitgave 1551 vermeld), en werden gedrukt door Jan Canin van Dordrecht en Dierck Mullem in Vianen, nadat hij uit Rotterdam werd verbannen, en uitgegeven in opdracht van de minister Herman Herberts van Dordrecht.




David Joris, 'T Wonder-boeck, Dierck Mullem, Vianen, 1584 of 1595, coll. Universiteitsbibliotheek 
Gent/Google Books Project, nr. 900000178230 (G. 6793) - gravure naar de houtsneden van de 
hand van David Joris zelf ?, zat niet in de eerste editie

Een exemplaar van deze editie, vermoedelijk uit 1584, bevindt zich in de Universiteitsbibliotheek van Gent: nr. 900000178230 (G. 6793) en is online te bekijken dankzij het Google Books Project.
Eén van de eigenaars van het boek noteerde vooraan in het boek: "het eerste boek in de Nederlanden gedrukt, in het welk figuren in koper gesneden werden." Hij vermeldt David Ketel (Deventer) als drukker van de 1551 editie, het jaartal dat ook op de titelpagina vermeld wordt.
Het boek bestaat uit vier delen in 1 vol. in-folio, ca. 400 p. en is inderdaad geïllustreerd met kopergravures in de tekst. Daarnaast zijn er talrijke, in detail uitgewerkte initialen én houtsneden. De drie houtsneden van de hand van David Joris zelf, zijn vervangen door kopergravures naar de originelen door o.a. Hieronymus Wierix (IRW)(twee van de drie zijn zo getekend).
De twee andere (eveneens door Google gedigitaliseerde) exemplaren van de Universiteitsbibliotheek Gent, nr. 900000187006 (Her. 633) en  G. 6796 (barcode onleesbaar) - dateren ook uit 1584.


David Joris, 'T Wonder-boeck, Dierck Mullem, Vianen, 1584 of 1595, coll. Universiteitsbibliotheek Gent/Google Books Project, nr. 900000178230 (G. 6793) - gravure naar de houtsneden van de hand van David Joris zelf


De wijzende handjes in de marge verdwijnen.

David Joris, 'T Wonder-boeck, Theodorus II de Borne,
Deventer, 1542, coll. Universiteitsbibliotheek Gent/Google Books Project

"Only the first edition contains engraved hands - each one different from the other. The different positions of the fingers of these hands are alledged to convey a mysterious coded message, whose significance has been lost." (Kingsgarden)


Invaluable vermeldt dat het Duitse lettertype werd vervangen door een Nederlands lettertype, maar dat geldt niet voor de boeken in de universiteitsbibliotheek UGent, misschien is dat nog een mogelijk verschil tussen de 1584 en de 1595 editie?



Exemplaar 900000178230 (G. 6793) bevat ook een portret door Van Sieghem van David Joris, "gezegd den Duyvel van Delft"


Totaalzicht:


een geveild exemplaar van David Joris, 'T Wonder-boeck, Dierck Mullem, Vianen, 1584 of 1595


De evolutie van de afbeeldingen:

De laatste Adam, David Jorisz., 1542,
gravure van de hand van de auteur zelf, gebruikt in 'T Wonder-boeck

De laatste Adam, Hieronymus Wierix (IRW), naar David Jorisz., 1584,
gravure gebruikt in 'T Wonder-boeck

De laatste Adam, Hieronymus Wierix (IRW), naar David Jorisz., 1584,
ingekleurde gravure gebruikt in 'T Wonder-boeck


De laatste Adam, Hieronymus Wierix, naar David Jorisz., 1583 - 1584,
gravure, h 241mm × b 163mm, Rijksmuseum RP-P-2002-292

(info o.a. uit Wikipedia  & Invaluable dd. 01/12/2016, deze laatste gebaseerd op de volgende bronnen: Van der Linde 58; Typ. Bat. 5644; Bainton, David Joris, p. 71-3; Cat. Mtschp. Ned. Letterk. I, p. 168; Machiels J 236; Valkema Blouw, 'Printers to the 'arch-heretic' David Joris. Prolegomena to a bibliography of his works', in: Quaerendo, 21 (1991), p. 163-209, esp. 192-6; only three copies in the NCC)

David Joris

  David Joris , Jan van Scorel (1495-1562), s.d., schilderij (tempera op paneel)89 x 68 cm, Kunstmuseum Basel (inv. 561)
[Licentie: Public domain Bijdragers: The Yorck Project:
10.000 Meisterwerke der Malerei DVD-ROM, 2002. ISBN 3936122202]

"David Joris (of Jorisz., zoon van Joris)(º wellicht Brugge, 1501 – ✝ Bazel, 28 augustus 1556) was een Delftse glasschilder die bekend werd als wederdoper en ketter. Er wordt algemeen aangenomen dat zijn moeder uit een Delftse familie kwam, terwijl zijn vader een Vlaamse koopman en rederijker was. Joris werd glasschilder [in 1522 he painted windows for the church at Enkhuizen, North Holland (Kingsgarden)] [after completing his training as a glazier in Antwerp, the young David Joris joined a group of Flemish craftsmen who left the city for Calais - then an English territory - where they were commissioned by a member of the court of Henry VIII to produce stained glass windows for a chapel. Joris further claims to have accompanied his colleagues onwards to London in 1522, although there he fell ill and eventually decided to return to Antwerp in 1524. As a stained glass painter, Joris’s work is close to that of Dirick Vellert of Antwerp, who may have been one of his teachers, as well as Barend van Orley (with whom Joris is thought to have travelled to Calais and London) and Pieter Coecke van Aelst. (Stephen Ongpin)]

David Joris (attributed to), Charity, from the Niklaus Chapel, St. Peter, Basel, ca. 1545


Hij werd tevens rederijker [ zijn naam 'David', genaamd naar de Joodse koning, zou hem zijn gegeven nadat zijn vader die rol gespeeld had in de Redrijkerskamer. Als handelaar reisde hij vanuit Antwerpen naar Frankrijk en Engeland. (Gameo, dd. 01/12/2016)][...]
Hij trouwde in Delft, waar "hij sympathiseerde met de beweging der sacramentariërs, lieden die de praesentia realis van bloed en vlees van Christus in het brood en de wijn van de mis verwierpen. In 1528 werd hij voor het bespotten van het sacrament gearresteerd en gevonnist. Zijn tong werd doorboord en hij werd voor drie jaar verbannen uit Holland. Tijdens de omzwervingen gedurende zijn ballingschap kwam Joris in aanraking met de dopers, ook wel wederdopers of anabaptisten genoemd. Hij liet zich in 1534, toen het banvonnis reeds was verlopen, opnieuw dopen. [...]
Hij waagde het [...] kritiek te uiten op de gangbare opinie onder de dopers dat het geoorloofd was de broeders in het belegerde Münster gewapenderhand te hulp te komen. [...] Joris was tegen het gebruik van geweld [...] [Terug in Delft] kreeg hij in december 1536 in zijn atelier enkele visioenen, waaruit hij concludeerde dat God wilde dat hij een grote rol ging vervullen. Deze visioenen vormden de basis voor zijn latere opvattingen. [...] Zijn idee dat hij door God gezonden was om de mens de juiste interpretatie van de Schrift te geven was [...] in 1539 geheel gerijpt. [Ook zijn volgers hadden visioenen die zich rond zijn figuur afspeelden (Gameo, dd. 01/12/2016)]
Volgens Joris leefde men in een eindtijd en hij deed aanzienlijke pogingen om zijn ideeën alom ingang te doen vinden. Het belangrijkste element in zijn leer was het idee dat de mens wedergeboren diende te worden. Deze wedergeboorte werd voor hem een tweede kruisdood, die men, als eens Christus uitwendig, inwendig moest ondergaan.


Portret van David Jorisz, Reinier Vinkeles naar Jacobus Buys, 1788,
ets (RKD IB02012039)

Hiertoe diende men alle lusten, vooral de seksuele te doden. De methode hiervoor leidde in Davidjoristische kringen tot een voor die tijd bedenkelijke seksuele moraal, waarin naaktloperij, het aan elkaar opbiechten van geheime seksuele verlangens en in sommige gevallen polygamie samengingen. Het overwonnen hebben van de zinnelijke prikkels moest men bewijzen door met een naakte vrouw te slapen. Zoals het meer gaat met proeven, mislukte ook deze wel eens. [...]
Joris probeerde fanatiek zijn ideeën op de dopers over te brengen en werd door velen als een nieuwe profeet gezien. Joris geraakte hiervan in zulk een staat van opwinding, dat hij zich ging beschouwen als de derde David, aan wie de oudtestamentische koning en Christus-David waren voorgegaan. Zijn succes was niet onaanzienlijk. Vooral in het noorden van de Nederlanden verwierf hij aanhang. [...]
David Joris was in de periode 1535-1540 een invloedrijke doperse leider in de Nederlanden en Noordwest-Duitsland. [...] [Joritz participated in the Anabaptist project to build the New Jerusalem in the city of Zwolle and in the valley of the river IJssel. His mother, in 1537, suffered martyrdom as an Anabaptist. Soon after her death, he took up a role of his own, having visions and the gift of prophecy. (His writings, all in Dutch, flowed in a continual stream from 1524 and amounted to over 200 in number.) (Kingsgarden)][(In contrast to these visions is his) rationalist approach to the topic of the devil and supernatural evil. David Joris anticipated the views of Thomas Hobbes, John Epps and John Thomas in interpreting the devil as an allegory. (Alchetron)]


Frans Floris, De famille van Berchem, ca 1561

Jakob Le Roy, Château de Schilde, ca 1670

Vanaf 1538 werd de vervolging tegen David Joris en zijn aanhangers, de Davidjoristen, heviger. Volgens Joris’ schoonzoon Blesdijk kostten deze vervolgingen aan zeker honderd mensen het leven. Ook de moeder van David Joris werd tijdens deze vervolgingen door de autoriteiten onthoofd.
Joris zelf wist te ontsnappen en vestigde zich omstreeks 1539 eerst in Antwerpen ["Hij kreeg onderdak van Cornelis van Lier in zijn kasteel Hof ten Broecke in Schilde. Jorisz. oefent ook invloed uit op diverse leden van de familie Van Berchem. In Schilde schrijft hij aan zijn 'Wonderboeck', dat op kosten van Cornelis van Lier (heer van Berchem) gedrukt wordt in Deventer door Dirk van de Borne. (Jan Lampo)] "The transitionary period between 1539 and 1544 during his time in Antwerp under the patronage of Anna van Etten [vrouw van Johan van Berchem, heer van Schilde] and her son-in-law, Cornelius van Lier, during which he developed the idea of a ‘spiritual language’ only to be understood by the enlightened, might well have created fertile ground for later Niclaesianism and Hiëlism in Antwerp." (A certain measure of perfection, dd. 28/12/2016)
en vervolgens in Oost-Friesland. Spreken in het openbaar was echter niet meer mogelijk en zo verloor hij zijn invloed in de Nederlanden. Toen in 1544 ook Oost-Friesland geen veilige woonplaats meer bood, besloot Joris naar Bazel te verhuizen. Daar leefde hij onder de schuilnaam Jan van Brugge een vorstelijk leven. Hij werd daartoe in staat gesteld door de genereuze giften van zijn trouwe aanhang. In 1556 stierf hij, betreurd door zijn vrouw, zijn elf kinderen en zijn vele vrienden.
Sommige aanhangers van Joris sloten zich aan bij andere stromingen of hadden dat al gedaan. Vele anderen bleven echter trouw aan hun profeet. Daardoor bleven de Davidjoristen een redelijk omvangrijke groep in de Nederlanden en in Oost-Friesland in de gehele zestiende eeuw." (Wikipedia, dd. 01/12/2016)
"Three years later, Nicolas Blesdijk, who had married his eldest daughter Jannecke, became inhibriated one night and denounced the dead man to the authorities of Basel. He claimed later to have lost confidence in Jorisz before his death, to save his own life. An investigation was begun in March 1559, calling for Nicolas's testimony and resulted in a conviction for heresy. The exhumed body of Jorisz was burned, together with his portrait, on the I3th of May 1559." (Kingsgarden, dd. 27/12/2016)


David Joris, portret door Van Sieghem

De Bijbel beschouwen als de enige autoriteit, beschouwde Joris als 'dode letter' geloof. Niks kon definitief beslecht worden in religieuze disputen louter door de Schrift; het was nodig om rond te zoeken naar de Zoon, aan Hem alleen werd alles geopenbaard. En volgens Joris kwam die uit de Nederlanden. Waar de anabaptisten in het algemeen vast hielden aan de Schrift als principe, verwierp Joris dat en stelde de mystieke ervaring centraal. "To the mystic Joris historical revelation was merely a matter of the sense; his religious experience lay outside it." (Kühn)


Menno Simonsz, gravure van Jan ii van de Velde. Kunstsammlungen Veste Coburg

"In 1542, the year he published his principal work ''tWonderboeck', the difference between Joris and Menno Simons [de leidinggevende anabaptistische kerkhervormer die zijn naam schonk aan de Mennonieten ofte doopsgezinden] burst into a violent dispute. Menno had already in his Fundamentboek (1539) warned against the false prophet. Joris then attacked Menno in a fiery letter: "Gird on your sword, Menno Simons, . . arm yourself with the most powerful Scriptural weapon! . . Who advises you, Menno, to appear so boldly before the Lord, that you elevate yourself above all? Do say, dear man, what spirit or witness advises you to teach? Who has sent you? . . . I will show you (however firmly you may think you have it) that you do not know it, nor do you know what is truth and wisdom, except after the letter." Violently Joris attempted to make Menno recognize his divine mission; but Menno rejected "imaginations, rhetorical tricks, and other deceptions of the devil" which Joris substituted for the Gospel; he said Joris was correctly taken for the "anti-Christ, the man of sin, the son of perdition, a false prophet, murderer of souls, deceiver and falsifier of the divine truth and the commands of Christ." It was evidence of devilish pride and anti-Christian foolishness, that Joris "elevates his visions and dreams above the wisdom of the Holy Spirit, who has taught the apostles and prophets."
Without doubt Menno hit the crux of Joris' fateful error when he said, "Under the pretext of humility he promotes devilish defiance and under the name of perfection, chastity, and other virtues he promotes various vices and shameful deeds." Menno refused to carry the dispute any further."(Gameo, dd. 01/12/2016)


Anna Jansz en route naar haar executie op January 24, 1538 (uit de Martelaersspiegel, Thieleman J. van Braght, 1660)

Naast de visioenen die hij had, werd hij ook geïnspireerd door het fanatisme van Anneken Jansz.(Gameo, dd. 01/12/2016)] "Though she appears in the Martyrs’ Mirror as a model feminine sufferer, the “Trumpet Song” she composed has in at least some versions a distinctly apocalyptic tone. One historian called it the Marseillaise of Anabaptist hymns:

'Wash your feet in the godless blood'

This is shocking imagery, but it’s also far from clear that it’s actually what Anna herself wrote — or if its surface interpretation is what the author intended to convey. Anabaptism’s fast-evolving strains published different versions of the “Trumpet Song” in the 16th century, whose slight alterations dramatically shade its meaning — especially so in view of the possible scriptural allusions. Here’s a version of the same line in which the verb wash (wascht) is replaced with watch, or mind (wacht), and it now advises the true Christian to leave punishment of the persecutors to God:

'You true Christians be of good cheer
Mind dipping your feet in blood
Because this is the reward which those who
robbed us will receive'

[...] her image filtered through the texts of interlocutors like the great Anabaptist fugitive David Joris, rumored to have been Anna’s onetime lover. Joris published the version of the “Trumpet Song” excerpted just above — the cautious one.
In the end, a fixed conclusion as to whether Anna was a firebrand later softened for public consumption, or the reverse, or a more nuanced character entirely, is beyond the reach of posterity. In any guise, she was an exponent of the call to spiritual purity and anticipation of the Lord that fortified a proscribed faith in its wilderness sojourn. [...]
of the “original” versions of Anna’s famous song, either in Dutch or in translation, 'Profiles of 'Anabaptist Women: Sixteenth-Century Reforming Pioneers [C. Arnold Snyder, 1996]' gives the last three of its 13 stanzas thus:

At Borsa and Edom, so the author has read / The Lord is preparing a feast / From the flesh of kings and princes. / Come all you birds, / Gather quickly / I will feed you the flesh of princes. / As they have done, so shall be done to them. / You servants of the Lord, be of good cheer. / Wash your feet in the blood of the godless. / This shall be the reward for those who robbed us. / Be pleased therefore, rejoice and be glad. / Play a new song on your harps; / Delight in our God / All you who foresee vengeance. / The Lord comes to pay / And to revenge all our blood. / His wrath is beginning to descend. / We are awaiting the last bowl. / Oh bride, go to meet your Lord and King. / Arise, Jerusalem, prepare yourself. / Receive all your children alike. / You shall spread out your tents. / Receive your crown, receive your kingdom. / Your King comes to deliver. / He brings his reward before him. / You shall rejoice in it. / We shall see his glory in these times. / Rejoice, Zion, with pure Jerusalem.'" (Executed Today, dd. 01/12/2016)


From an engraving by Christian Friedrich Fritzsch (1719–1774)

"In 1544 Joris left the Low Countries for Basel secretly after a violent dispute between the Jorists and John A Lasco (Jan Łaski) who was then superintendent of East Friesland’s established church. The persecution of his followers intensified. In Basel he was a voice for religious freedom, defending Servetus [zie Guus Kuijer, Het doden van een mens, over Castellio's reactie op de dood van Miguel Serveto, en o.a. ook over Joris ] and seemingly forging close links with both Castellion and Schwenckfeld – who may have influenced his theology during this period of his life. [...]


Engraving from Apocalypsis, or The revelation of certain notorious advancers of heresie. London, 1655.

In 1548, writing to Niclaes (the only evidence we have of contact between them) there were clearly worries about his leadership and some tensions with Niclaes. Niclaes may have gone from being a ‘threat to oneness’ in Joris’ Emden days to ‘a threat of fanaticism’ by Basel. Notably, the issue of sole divine inspiration was one that was to characterise Niclaesian Familism and was, later, to lead to the Hiëlist factional schism. [...]


embleem van de Family of Love / Huis der Liefde

The ‘Davidists’ (better, Jorists) were not formally expelled from East Frisia until 1544/45 and, up until that point, relations had been broadly tolerable. Niclaes seems to have arrived in 1541 and was accorded citizenship the following year. He probably formally founded his sect shortly after his arrival there and seemed to manage to live there for nearly two decades before his orthodoxy came under any serious question. It seems that he may have had the support of the influential Lord of Pewsum, Huycke Manninga and, perhaps, wider Manninga support generally – see A. Hamilton – ‘The Family of Love’ (Cambridge, 1981). The potential overlap between an embedded Jorist presence in Emden and the Family of Love’s foundation provides some fascinating possibilities – including the outside possibility that Niclaes’ true source of inspiration was actually gained on arrival in Emden." (A certain measure of perfection, dd. 28/12/2016)



Christoffel van Sichem (I), Portret van David Jorisz., naar Jan Cornelisz. van 't Woudt, 1677
gravure en ets, h 168mm × b 142mm (Rijksmuseum, RP-P-OB-15.618). Oorspronkelijk gemaakt
 voor:  'Historische beschrijvinge  ende affbeeldinge der voorneemste hooft ketteren', Amsterdam,
 C. van Sichem, 1608. Deze prent komt in deze staat voor in: C. van Sichem, 'Het tooneel der
hooft-ketteren, bestaande in verscheyde afbeeltsels...', Middelburg, Wilhelmus Goeree, 1677.

Portret van David Jorisz., aan een tafel, waarop een exemplaar van het door hem geschreven 'Wonderboeck' ligt. Hij laat zijn hand, waarin hij een anjer vasthoudt, rusten op het boek. In de andere hand heeft hij een handschoen. Boven zijn hoofd staat het jaartal 1554 en zijn leeftijd vermeld. (Rijksmuseum, Amsterdam, dd. 01/12/2016)

 Christoffel van Sichem (I), Portret van David Jorisz., naar Jan Cornelisz. van 't Woudt, 1606
gravure, ets en boekdruk, h 189mm × b 143mm (Rijksmuseum, Amsterdam, RP-P-1918-1735)

Onder het portret een drie-regelig onderschrift in het Latijn. Rondom de prent een Duitstalige levensbeschrijving in boekdruk.


Overige portretten van David Joris:

portret van David Joris, Romeyn de Hooghe (1645-1708)

David Joris, ets uit 'Apocalypsis, or The revelation of certain notorious advancers of heresie'.
London, 1655. (Gameo, Scan provided  by the Mennonite Archives of Ontario)


uit Leonhard Meister (1741-1811), Helvetiens Berühmte Männer in Bildnissen von Heinrich Pfenninger



Meer info over de Bazelse periode: altbasel


Overgeleverd artistiek werk van David Joris:

David Joris (attributed to), The Rising of Lazarus, pentekening, 219 mm diameter

David vermaant Joab en Abisai om Absalom te ontzien (2 Samuël 18:5), David Jorisz., 1554, tekening, 316 x 204 mm (coll. Graphische Sammlung Albertina, Vienna , inv./cat.nr 7800; cat. Benesch 1928, nr. 110, afb.)

Het voeden van de hongerigen, een van de werken van Barmhartigheid, David Jorisz., tekening, 250 x 141 mm (coll. Stiftung Weimarer Klassik und Kunstsammlungen, Weimar (Thüringen) , inv./cat.nr 144)

Christus overhandigt Petrus de sleutels (Mattheus 16:19), David Jorisz., tekening, 237 x 191 mm (coll. Detroit Institute of Arts, Detroit (Michigan) , inv./cat.nr 1934.97)